De huismus (Passer domesticus)  is een kleine zangvogel die samen met 45 andere soorten behoort tot de familie van de Passeridae  (mussen en sneeuwvinken). Het is een standvogel die doorgaans rond dezelfde plek blijft wonen. We zeggen dan dat zo’n vogelsoort ‘honkvast’ is.

De huismus is een cultuurvolger, ze maakt gebruik van menselijke voorzieningen wat betreft voedsel en nestgelegenheid. Zo maken ze graag een nest onder de dakpannen of pikken ze een graantje mee bij het voederen van kippen. Soms wagen ze zich ook op of onder terrastafeltjes.

Deze vogelsoort heeft dan ook haar naam niet gestolen.

 

De huismus komt zowel in steden als in een landelijke omgeving voor. Ze vertoeven in de buurt van mensen en maken geregeld gebruik van menselijke voorzieningen. Huismussen nestelen zich vaker onder dakpannen, in nissen of holtes in muren dan in bomen en struiken.

Toch zijn struiken, bomen en andere groene elementen in het landschap essentieel voor huismussen. Ze dienen als schuilplaatsen, voedselbronnen en nestgelegenheid. Huismussen foerageren langs groene stroken van klimophagen, struiken en lage bomen.

Huismussen hebben een sociale leefwijze. Het grootste deel van hun leven vertoeven ze in groep. Zo’n groep mussen wordt een kolonie genoemd. Een kolonie kan variëren van enkele tot tientallen paren. Kolonies van meer dan 20 paren zijn tegenwoordig eerder uitzonderlijk.

Huismussen zijn honkvast, d.w.z. dat wanneer ze een geschikte locatie vinden om te leven, de kolonie hier generaties na elkaar zal blijven. Wanneer de omstandigheden van het gebied veranderen, kan de kolonie het gebied verlaten. Individuen hebben geen sterke territoriumdrang maar als kolonie bezoeken ze vaste locaties in het gebied waar ze leven.

Huismussen zijn voornamelijk graan- en zaadeters. Ze hebben een heel gevarieerd plantaardig menu: tarwe, haver, boekweit, gierst,… maar ook zaden van grassen, scheuten, bessen en blad- en bloemknoppen lusten ze graag.

De jongen worden in het nest uitsluitend met dierlijk materiaal (vliegen, muggen, larven, bladluizen,…) gevoed. Het spijsverteringsstelsel van de jongen is enerzijds nog niet voldoende ontwikkeld om de trage vertering van plantaardig voedsel te verwerken, dit gebeurt pas wanneer ze enkele weken oud zijn. Anderzijds bevat dierlijk voedsel een hoog gehalte eiwitten die jonge huismussen nodig hebben om op te groeien.

Tegen dat de jongen uitvliegen is hun darmkanaal aangepast en kunnen ze jongen wel al zaden verteren. Doch, dierlijk voedsel blijft gedurende een hele tijd een belangrijke aanvulling op hun dieet.

Na dat het mannetje een nestplaats heeft verovert, gaat hij het vrouwtje verleiden. De baltstechniek start al begin maart en gaat gepaard met luid getsjilp, opgeheven vleugels, hevig op en neer bewegen van hun kop en het pronken met hun zwarte bef.

Hoe feller de zwarte bef bij een mannetje, hoe aantrekkelijker hij is voor vrouwtjes en hoe dominanter bij mannetjes. Mannetjes met een grote bef hebben vaak betere nestplaatsen. Hoe groter de huismussenkolonie hoe heviger de mannetjes dit gedrag vertonen. Hoe kleiner de kolonie hoe minder ze geprikkeld worden om extra hun best te doen.

Een mussenhuwelijk is voor het leven, slechts wanneer één van beide partners sterft wordt er een andere partner gezocht.

Huismussen bouwen met behulp van droge stukjes gras een vrij slordig, ovaal tot bolvormig nest. De binnenzijde wordt gevoerd met veren. Het nest bevindt zich goed verborgen in dichte hagen of heggen. Zijn deze niet aanwezig dan krijgen openingen onder dakpannen of gaten in muren de voorkeur. Vaak zal de huismus pas als laatste optie een broedpot of mussenappartement als nestlocatie uitkiezen.

Legtijd: van april tot augustus. Tot enkele jaren geleden werden vaak een tweede of derde broedsels gemeld. Tegenwoordig worden deze minder opgemerkt.

Legselgrootte: er worden gemiddeld 3 tot 5 eieren gelegd. Het vrouwtje bebroedt die 12 tot 14 dagen.

Na 15 dagen door beide ouders met insecten gevoederd te zijn, verlaten de jongen het nest.

De populatie huismussen in een gebied wordt bepaald door het tellen van het aantal aanwezige broedparen. In de afgelopen 40 jaar is het aantal broedparen in Vlaanderen met 30% verminderd.

Na onderzoek bleek dat de achteruitgang geen drastisch effect heeft op het spreidingsgebied van huismussen. Wel is de achteruitgang te merken in het aantal huismussenkolonies en de gemiddelde grootte van de kolonies. Dat wil zeggen dat mussen nog steeds over heel Vlaanderen voorkomen maar dat het aantal exemplaren dat zich kan voortplanten vermindert. Mussenkolonies van 20 of meer mussen worden zeldzaam.

De huismus heeft een beschermd statuut. In grote lijnen wil dit zeggen dat de huismus en alles wat de huismus toebehoord beschermd is. Zowel de huismus zelf, de eieren als de nesten mogen niet opzettelijk gedood, vernield en/of verstoord worden.

Het is bijvoorbeeld verboden om de huismus opzettelijk te storen tijdens perioden van voortplanting, de afhankelijkheid van de jongen, de overwintering en tijdens de trek.

Een beschermd statuut wil ook zeggen dat er een verbod is op o.a. het vangen, vervoeren, verhandelen of ruilen van huismussen of de specimen van huismussen. Op deze link vind je de werkelijke wetteksten rond het statuut van de huismus terug.