Overslaan en naar de algemene inhoud gaan

Resultaten na vijf jaar mussentellen

In april 2002 hield Vogelbescherming Vlaanderen voor het eerst een nationale mussentelling. Aanleiding voor dit initiatief was het gebrek aan actuele gegevens over de status van de Huismus in het sterk verstedelijkte Vlaanderen en de verontrustende berichten uit andere Europese landen over een alarmerende achteruitgang van de soort. In Nederland en Engeland deed ze het zelfs zo slecht dat ze op de Rode Lijst van bedreigde broedvogels verzeild raakte. Hoog tijd dus om ook in ons land een actuele stand van zaken op te maken.

Via het initiatief ‘Nationale Mussenteldag’ lanceert Vogelbescherming Vlaanderen jaarlijks een oproep om in april op één dag (ondertussen een volledig weekend) op zoveel mogelijk verschillende plaatsen het aantal tsjilpende huismusmannetjes te tellen. Dit verschaft een betrouwbare schatting van het aantal broedkoppels. Bijkomend werden gegevens opgevraagd over de omgeving, de verkeersintensiteit, de plaats van de kolonie en de status van Huismussen in het verleden (trendschatting). De eerste mussenteldag in 2002 was met ongeveer 1.800 deelnemers een schot in de roos. Afgelopen zomer werden de gegevens van vijf jaar mussenteldagen (2002-2006) voor een eerste maal samengebracht en verwerkt in het kader van een samenwerkingsverband tussen ABLLO vzw (Actiecomité ter Beveiliging van het Leefmilieu op Linkeroever en in het Waasland), de onderzoeksgroep Terrestrische Ecologie (Universiteit Gent) en Vogelbescherming Vlaanderen.

Methodiek

Gedurende al die jaren werden de tellingen in verschillende bestanden opgeslagen door medewerkers van het projectencentrum Don Bosco vzw. De verkregen gegevens dienden echter eerst in een gestandaardiseerd formaat te worden opgeslagen waarbij alle plaatsaanduidingen vertaald werden naar officiële straatnamen: daardoor kon aan elk adres (straat en huisnummer) een unieke coördinaat gelinkt worden. Via een Geografisch Informatie Systeem (GIS) werden de telplaatsen en de aantallen getelde mussen vervolgens op een digitale kaart van Vlaanderen geplot. Voor iedere gemeente werd de bevolkingsdichtheid aangegeven als maat voor verstedelijking.

Resultaten

De driehoek Anwerpen-Gent-Brussel springt duidelijk in het oog als het zwaartepunt van de telgegevens. Niet in het minst omdat daar ook beduidend meer mensen wonen. Ook al hebben Limburg en West-Vlaanderen een aanzienlijk lagere bevolkingsdichtheid, dan nog valt op dat er in beide provincies heel wat minder geteld werd. Voor West-Vlaanderen betreft het voornamelijk de dichtbevolkte regio rond Kortrijk en de kustzone. Voor Limburg zijn de meeste dichtbevolkte regio’s nog ondermaats te noemen wat betreft telinspanningen.

Het aantal getelde mussen is onderverdeeld in categorieën, gaande van rood (geen mussen) over geel (weinig mussen) naar groen (veel mussen). Wat wel opvalt is dat een overgroot deel van de mussenkolonies eerder klein is. Er zijn echter op het ogenblik nog geen duidelijke regionale verschillen zichtbaar in het aantal getelde mussen.

Kaart 1: aantal Huismussen geteld in 2002-2006

Uit de bevragingen naar het geschatte aantalverloop van de plaatselijke huismuspopulatie kunnen voor alle locaties ‘langere-termijn-evoluties’ in kaart gebracht worden. Dit is gebaseerd op de eigen interpretatie van de tellers zelf. Er zijn momenteel echter geen eenduidige conclusies uit te trekken. Wel lijkt het dat de populaties waar een afname werd opgetekend eerder geconcentreerd zijn rond de grotere steden.


Kaart 2: evolutie Huismussen volgens de interpretatie van de tellers

Als we de tellingen zelf gebruiken om een aantalverloop te bekijken, kunnen we enkel die plaatsen selecteren waar gedurende meerdere jaren (minstens twee) geteld werd. Op kaart 3 is de evolutie van het aantal Huismussen te zien. Deze evolutie is van kortere termijn dan die op kaart 2, maar wel exacter aangezien wordt uitgegaan van de effectieve tellingen en niet van interpretaties. Aangezien vele externe factoren (zoals het weer) de tellingen kunnen beïnvloeden, moeten deze resultaten met enige voorzichtigheid geïnterpreteerd worden. Zo moeten we besluiten dat we evenmin regionale verschillen kunnen opmerken en er vooralsnog geen heldere conclusies rond de stabiliteit van de populaties te vinden zijn. Het kleine aantal locaties met herhaalde tellingen komt hier erg duidelijk naar voor.

 
Kaart 3: evolutie Huismussen van de herhaalde telplaatsen

Toekomst

Ondanks de grote inspanning van de deelnemers, die tot dusver resulteerde in ca 4.000 telgegevens, beschikken we nog niet over voldoende informatie om duidelijke conclusies te trekken. Er is voornamelijk nood aan meer herhaalde tellingen op dezelfde locaties over verschillende jaren. Zo nam tot dusver slechts een honderdtal deelnemers gedurende meer dan één jaar aan het initiatief deel. Hoewel zeer nuttig, vormen dergelijke eenmalige tellingen slechts een momentopname waaruit moeilijk conclusies over de evolutie van Huismussen getrokken kunnen worden.

Verder zijn de telinspanningen nog te ongelijkmatig gespreid over de verschillende regio’s; vooral de provincies Limburg en West-Vlaanderen vormen nog onbekend terrein. Het is dan ook de bedoeling om dit initiatief in de toekomst verder te zetten en zo mogelijk nog verder uit te breiden. 

 

Jasmin Lauwaert
Universiteit Gent