Mussen zijn van nature opportunisten, ze passen zich snel aan en halen het beste uit hun situatie. Ze kunnen goed samenleven met de mens, bouwen hun nesten het liefst onder daken en vertoeven graag rond voederplaatsen van kippen. Toch ondervindt de huismus een drastische achteruitgang. 

Zowel de grootte van de kolonies alsook het aantal kolonies daalt. Niet alleen in Vlaanderen maar in heel Europa en zelfs Azië bemerkt men deze trend. Hoe het komt dat huismussen steeds zeldzamer worden, heeft verschillende oorzaken.

De huismus kon zich goed aanpassen aan het leven in een stad. In openingen onder daken of spleten in muren zagen ze een geschikt nestlocatie. In tuinen met wilde kruiden en bessenrijke struiken of braakliggende percelen vonden ze zaden en insecten als voedselbron voor zichzelf en hun jongen. Ze foerageerden doorheen de hele stad, van struik naar haag naar een met klimop begroeide muur.

Tegenwoordig zijn de steden te clean. Daken en muren worden te goed geïsoleerd, ze hebben geen enkele opening meer. Inheemse (on)kruiden en bloemen worden uit de tuinen verweerd en het gras wordt gemillimeterd afgereden. Ruige of verwilderde hoekjes verdwijnen in de steden. Kale pleinen, opgekuiste gevels en ‘steriele’ parken komen in de plaats.

De voor mussen nuttige begroeiing in een stad wordt zeldzaam. Mussen gebruiken deze begroeiing als stapstenen om zich te verplaatsen. De afstand tussen verschillende groene elementen in een stad wordt te groot. De huismussen willen deze afstand liever niet overbruggen. De kolonies raken meer en meer afgesloten van elkaar.

Vroeger hadden de huismussen veel schuilgelegenheden om te vluchten voor katten. Het is niet een toename van katten maar een afname van schuilgelegenheden voor huismussen die er voor zorgen dat huismussen gemakkelijker ten prooi vallen. Huismussen foerageren op de grond of in laag struikgewassen waardoor ze opvallen voor katten.

Naast katten zijn bosuilen en sperwers ook belangrijke predators van de huismus. Van deze twee predators is niet bewezen dat zij een nadelige invloed hebben op het huismussenbestand.

Zangvogels die te maken krijgen met predatie bouwen hun nesten op een veiligere plaats en leren hun jongen efficiënter te vluchten. Wanneer er onvoldoende mogelijkheden zijn voor huismussen om zich aan te passen aan de predatie, vallen ze ten prooi.

Het voedsel van huismussen bestaat vooral uit zaden. Toch spelen ook kleine insecten en ongewervelde dieren een belangrijke rol in hun overleving. Voor de jonge vogels zijn de dierlijke eiwitten uit deze prooien onontbeerlijk in hun ontwikkeling. Jongen die tijdens hun eerste levensdagen te weinig dierlijke eiwitten kregen, hebben een zwakke gezondheid en kampen met ondergewicht. Hierdoor overleven ze zelden hun eerste levensjaar.

Een te laag aanbod van dierlijk voedsel heeft dus zware gevolgen. Vooral in de steden is dit een van de hoofdoorzaken van het lage broedsucces van de huismus. Met het verdwijnen van plaatselijke kolonies tot gevolg. Wil men de steden terug leefbaar maken voor de huismus, moet men meer ruimte creëren voor onverharde vlakken waar allerlei bloemen en struiken kunnen groeien waarin insecten en kleinere ongewervelde dieren zich thuis voelen. Natuurlijk is het gebruik van pesticiden uit den boze.

De landbouwcultuur is de afgelopen 20-30 jaar sterk veranderd. Vroeger was de huismus niet weg te denken van een boerderij of koeienstal. Hier was voldoende nestgelegenheid, dierlijk voedsel voor de jongen én graan, alles waar huismussen verzot op zijn.

Nu zijn graanakkers schaars. Enerzijds werden de meeste graanakkers vervangen door maïsakkers. Anderzijds wordt het graan heel efficiënt geoogst en blijven er nauwelijks granenresten achter op de velden. Voor huismussen die in verstedelijkte gebieden broeden liggen de graanvelden sowieso te ver weg.

Ook rond weides en akkers verdwijnen groene elementen: knotwilgen en houtkanten worden gerooid en onkruiden worden gewied. Op de akkers zorgen herbiciden en pesticiden ervoor dat er bijna niets meer groeit, uitgezonderd het geteelde gewas. Hierdoor daalt zowel het aantal zaaddragende planten als het aandeel klein, dierlijk voedsel om de jongen groot te brengen.

Het verdwijnen van geschikt voedsel in weide- en akkergebieden is een oorzaak van de achteruitgang van de huismus.

Bron: ‘Mussen een groene partij’ van Jenny de Laet. Jenny de Laet werkt als wetenschapper bij ABLLO vzw, de partnerorganisatie van Vogelbescherming Vlaanderen in het huismusonderzoek.